Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5io

romeinsche

IV.

BOEK

'L HOOFDST.

J. voor C.

249.

J. van R, S03.

Stoutheid van hawnibai. den Rbodiër,

ring en trachtede den mond der haven door gezonkene fchepen, ingeworpene fteenen, balken en modder te verfloppen. De geduurige eb en vloed en het ftormachtig jaargetijde fpoelden meest alle deze verftoppingen weg: het gerucht zijner bemoeijingen echter had fchier den zelfden uitflag, dien hij van derzelver wezenlijke uitwerking had kunnen verwachten, wijl de Carthagers zich waarlijk voorftelden, dat de haven van Lilybceum volftrekt ge» flooten en alzoo alle toevoer onmogelijk was.

De Carthagers vonden in hunne zorglijke onkunde aangaande den toeftand hunner voornaamfte bezitting in Sicilië eenen man, hannibal de Rhodiër genaamd, die zich ftoutelijk aanbood, om binnen Lilybceum te komen, alles op te nemen, en daarvan een omftandig befcheid te rug te brengen. Daar men wist, dat de Romeinfche vloot voor de haven ten anker lag, floeg men zijn aanbod in den wind, doch niet te min ftak hij zelf nu met een eigen zeer fnel zeilend fchip op een der eilanden over, die voor Lilybceum liggen, sn fnelde dags daar aan met eenen ftij-

ven

Sluiten