Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ISRAËLIETEN. 223

' Betreffende de regeering ; de wet van Davit). Mofes werd, reeds door Davids godsdien- vi.Boek, ltio-e fchikkingen, op nieuw weder ook in 1 v. burgerlyke zaaken ingevoerd, en in aanzien gebragt. Doch een blyk van de groot-

geever en

heid van Davids geest is dit, dat hy niet 1egter. zo zeer in 't kleine viel, en alles te gelyk weder lliptelyk naar de letter der Mofaïfche voorfchriften (welker toepasfing tegenwoordig door verandering van omftandigheden reeds veele uitzonderingen onderhevig was) hervormd wilde hebben ; maar veeleer op den geest der wet zag, welke gedeeltelyk eene burgerlyk godsdienftige afzondering, gedeeltelyk het bewaaren van het geloof in den éénen waaren God ten oogmerk had. Davids inflellingen loopen zo wel als zyne pfalmen , in 't groote. Zyn voornaamfte doel was, dezelfde gevoelens , die Mofes den Israëlieten zo gaarne had willen in* boezemen, weder op te wekken, en dus de gemoederen des te bereidwilliger te maaken tot het waarneemen der byzondere geboden. De loop der regtspleeging was, 't is waar, waarfchynlyk langzaam; maar dit was de fehuld der inrigting , dewyl 'er naamelyk geen hooge regtbank was, waarop men zig beroepen kon, maar elk, die zig niet aan de dagelykfchen regter onderwerpen Wilde, of anders het ftük van byzonder gewigt oordeelde, zyne zaak voor den Koning bragt. Zelfs kan het groote vertrouwen op Davids zugt voor het oeffenen van regt, hem met bezigheden van dien aart overlaaden, en dus den loop der regtspleeging vertraagd hebben;

Al-

Sluiten