Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

c is)

dus mogt met recht groot genoemt worden , maar deze naam verdiende het bijzonder, wanneer men dagt aan den perfoon, aan wien het was toegeheiligt, die daarin zijne wooning hield en binnen den omtrek van dezelve moest vereert worden. — Waarom er met recht van getuigt wordt, Het is geen Paleis voor eenen menfche, maar voor Cod den Heere. Terwijl wij deze bijzonderheid nu in ons derde en laatste deel moeten befchouwen.

111. Een Menfch is een zwak , nietig en gering fchepzel, bijzonder naar zijn Hoffelijk en fterffelijk gedeelte. — Gelijk ook de oorfprongelijke naam mensch te kennen geeft, dat liij gering is, haast verdwijnt en na zijn eeuwig huis heen gaat. Alle vleescfi doch is als gras en alle zijne goedertier endheid als een bloeme des vdds. Immers alle menfchen is het gezet eenmaal te flerven Hebr. q: 27.

Maar God, de Heer,daarentegen is Eeuwig en beftendig, van Eeuwigheid tot Eeuwigheid God, Ps. 90: 2. Deze is een volftrekt noodzaaklijk en onoorfprongelijk wezen, bij wien de oorfprong aller dingen is, uit wien, door wien en tot wien alle dingen zijn Rom. 11: 36. HU is Algenoegzaam en magtig, om te doen, wat hem behaagt, bij wien alle dingen mogelijk zijn,

gelijk

Sluiten