is toegevoegd aan uw favorieten.

Plechtige leerredenen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C «07 )

„ ge aard wurm, in mij zei ven niet in ftaat iets goeds ,, te denken?-—Ja wat zal ik onwaardige -eUmdig „ in en magteloos uit mij zeiven zijnde — tot zulk „ een groote zaak, als de liefde en vrede in Gods ge„ meente is, kunnen toebrengen, boven anderen;

daar het goede doch door een en denzelven „ geestgewrocht wordt; hoewel ik beken, dat

God door de middelen werkt." — Dit gedeelte, uit het antwoordt op den evengemelden brief, doet ons zien, hoe gering en af bangelijk van Gods genade de overledene gedagt heeft. 1 In het jaar 1759 beriep men zijn Eerwaarde in

deze mennonieten embder gemeen*

te. — Hij had, toen hij hier op het beroep » gepredikt had, doorzijn verblijf en verkeering in deze ftad, de Gemeente in het algemeen en zommige voornaame en aanzienelijke hoofden derzelve in 't bijzonder, met zulk een gunftig oog leeren befchouwen, dat hem deze gemeente was lief geworden en zijne begeerte zich tot dezelve uitftrekte; ook achtede hij zijne werkzaamheid nuttig, zoo niet nodig, tot deszelfs opbouwing. .— Maai echter, een vreezelijke oorlog tusichenhetPruisfche enFranfcheHofen de waarfchijtielijkheid van binnen de muuren dezer ftad een overftrooming van vijanden te zullen krijgen, deeden zijn ziel, bij de overweeging van dit beroep, in verfcheidene zwaarmoedige bedenkingen