Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(21)

boomen, (*) welken echter allen onderling veel overeenkomst hebben. Zy befiaen uit ettelyke dunne Hengen , die uit één gemeenen wortel voortfpruiten , en tot omtrent agt voeten hoog opfchieten. Derzelver bladen, fchoon zy in de verfchillende foorten en ook in grootte verfchillend zyn, zyn allen getand. De bloeifems beftaen uit vyf breede geele bladeren. Derzelver ftampertjes zyn van boven bedekt met geel ftuifmeel, het welk ryp zynde afvalt, en de lager ftaende wyfjes bloem bezwangert. Als de bloembladen afvallen, koomt er een holle dop te voorfchyn , die van driehoekige bladen omvangen wordt. Deze dop is eenigzins kegelvormig , en in verfcheiden huisjes verdeeld, waervan elk een vluis Katoen bevat, vermengd met kleine zwartachtige zaden. Deze boomen dragen na negen maenden groejens, en geven, tweemael des jaers, vrucht, komende van iedere boom by elke inzameling, omtrent een pond katoen. Doch deze inzamelingen zyn hier echter eenigzins wisfelvallig, en worden niet zelden veel benadeeld door het vroeg beginnen en lang aenhouden van de regen-faifoenen.

Het Suikerriet (t) is zoo dikwyls befchreven, dat ik het met ftilzwygen zal voorbygaen.

De

(*) GOSSYPIUM.

(f) Saccharum ojfldnarum.

B 3

Sluiten