Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 6 )

Zo trefc de fchrik het hart der Volken,

Wanneer de Donder raatlend raast, En, romlend door de donkre wolken,

Op vergelegen heuvlen kaatst — Maar, als zijn woéde is afgedreven, IX frisfe koeltjes wapprend zweven,

En vruchibre regen 't aardrijk drenkt, Herkent 't Heelal zijn' Vader weder, En 't jtócht tót U, die mild en teder

Natuur een nieuwe Lente fchenkt.

En Gij, de troost in onze fmarte!

Gij, wien een vonk van 't heerlijkst Beeld , Een ondeel van God zelf, in 't harte,

Tot heil van 't lijdend meuschdom, fpeek! Weldaadïgen! o wij gevoelen Met harten, die geen tijd zal koelen,

Hoe we allés aan U zijn verpligtt En deeze traan meldt in onze oogen, Hoe eindeloos- ons fpraakvermogen

Voor uwe liefde en trouwe zwicht!.

Oogst,

Sluiten