Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 8 >

JCu gij, die door de vlijc, mee uwe huuwlijkspandeiï, Slechts van den arbeid uwer handen, Of eenen fchraalen voorraad leeft; U v dankbaar hart is toch der weeuw en wees genegen, — Uw renningsken verftrekt den armen tot een' zegen, Daar gij het in geloof, uit waare liefde, geeft,

Zou Jefus uwe gift, hoe kleen ze ook zij, verfmaaden? ö Neen! Hij prijst uw liefdedaaden: Hij kent het hart waarmee gij gaaft; Naar zijn belofce en trouw zal Hij uw deugd beloonen: Hij zal aan u — aan elk zich een Ontfermer toonen, Die, naar zijn liefdeles, den armen fpijst en laaft.

Wat rnogt zich 't kalm gemoed van vroomen job verblijden, Hoe zeer gedrukt door 't zwaarfte lijden — Eerocfd van have en dierbaar kroost — Ellendig, arm en naakt, dat hij, in vroeger dagen, Der naakte weeuw en wees had vlijtig gaêgeflagen, En de armoede, in haar' druk, meêiijdende getrooot!

De

Sluiten