Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 STEPHANUS,

Hoe! zou uw teder hart dat ongeluk niet vreezen?

Gebied ons 't christendom ontaart en wreed te weezen?

Gy ziet, de morgenzon krimpt nog haar ftraalen in;

Zy fchiet een' flaauwen glans op gintfen tempeltinn';

't Verbleekt geftarnte is nog den hemel niet ontvloden;

't Schynt of de ftilte zelf u 't vlugten heeft geboden;

't Slaapt alles rondom ons, deftad, de heuvels, 't veld.

Ontwyk dit oord, myn vriend! Daar't heilig recht niet geld,

Is elk voor reden doof. Men zal uw bloed doen flroomen,

Zo dra gy weder in Jerufalem zult komen.

Ik fmeek u niet alleen om een verhaaste vlugt;

De gantfche christenheid is voor myn' vriend beducht.

De apostlenfchaaren, ons, de weduwen en weezen-,

Uw' dierbren vader zelf kunt gy van angst geneezen,

Indien gy u begeeft naar eene ftad, waar gy

Verborgen blyven kunt voor joodfche razerny.

Daar kunt gy uw verblyf uw'vader ftraks doen weeten.

Met hoe veel zielsgeneugt zultgy hem welkom heeten,

Wanneer hy u, bevryd van angst, omhelzen zal!

Gods wondre werking rust op u toch overal;

Gy kunt die overal uw' vader doen befpeuren.

Dus zal hy zynen zoon noch zynen ramp betreuren;

Dus blyft ge aan't christendom, aan vriendfehap, aan Na-

En tederheid getrouw. Doof thans dat yvervuur Ctuur

Dat uwe ziel ontgloeit, en hoor naar 'tangftig fmeeken

Van eenen amptgenoot , wiens vriendfehapstraanen fpreeken.

STB»

Sluiten