Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in NEDERLAND. 25

Myn ziel, ó heldenfchaar! (mok weg in heet getraan, Zo menigwerf zy zag het Recht met roeden flann, Door zulken , die het land verkochten en verrieden, Om aan Heerschzuchtigheid behulpzaamheid te bieden; Doch edle gramfchap deed haar glocijen, toen myn ftad, (In myne vroegfte jeugd myn wieg en bakermat; In myne jonglingfchap de fteile tempelkooren, Waarin Minerva my haar lesfen deed aanhooren , Waarin zy my haar' ftoel al fiddrend deed betreen, Eer zy my wegzond naar het Nederlandsch Atheen;) Toen't werkzaam Amersfoort moest deelen in dierampen, Waarmede eene overmagt gantsch Neerland heeft doen kampen.

De vorstlyke armen zyn lang uitgerekt tot kwaad, Doch ingekrompen voor het weldoen aan den ftaar. Gy , Eemftad ! moest te lang haar geesfelilagen lyden ; Gy, Eemftad! moest te fel de Dwinglandy beftryden.

Aan welke ketens wierd ge, ó braave! niet gelegd, Door 's vorften voorfshrift (f) , dat uw raadzaal heefc gehecht

Aan 't ooggewenk van tirC, die 'sprinfen plaats vervulde, Met hoe veel affchriks dit uw Magistraat ook duldde. De vorstwasmeester,— toen; — de meester was zyn flaaf; Die dienaar van den Staat gaf u, (ó wreede gaaf!') Een' andren dienaar, om zyn meesters te beheeren, En Eemftads achtbren Raad goeddunklyk te regeeren,

Waaraf) II't Reglement van 1750; gemeukt door Willem II'. B 5

Sluiten