Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36" Betoog aangaande het tegenwoordig gefchil

Wy meenen ook, om geiyke reden , dat het gemelde laater Testament van ' den Heer Va* der, Adolph Hendrik Graaf van Rechteren , daar tegen niet ftryden mag ,• maar dat al het gene , buiten de Heerlykheid gelegen, aan den Heer oudften zoon daar by gemaakt is, insgelyks volgens de gemelde fuccesfio pattitia op hem, en na zyn affterven op zyne kinderen vererven moet.

AANGAANDE DE DERDE VRAAG.

Op de derde vraag zouden wy van gevoelen zyn, dat de jonger Heeren zoons'onbevoegdzyn geweest, om met den oudften een verdrag over de nakoming van het vaderlyk Testament, ten nadeele van Mevrouw de Gravin, deszelfs eenige dochter, en erfgenaame van haare toen reeds voor lang overleeden moeder, te onderneemen: in plaats dat alle die Heeren, als erfgenaamen van hun vader, verpligt waaren en nog zyn, hun vaders verbintenis , by huwlyksvoorwaarden gemaakt , flipt te helpen nakomen en bevorderen; en geenszins aan Mevrouw de Gravin haar recht, 'twelk dezelve als erfgenaame van haare moeder had verkreegen, door zulk een gedragmogtenpoogen te verydelen.

Daar benevens meenen wy, dat die Heeren, als erfgenaamen van hun vader, Prasstéeren moeten, dat Mevrouw de Gravin de Heerlykheid &c. erve en te gelyk ook erfgenaame van haar wylen vader mooge zyn. Want zo flaat 'er in de huwlyks voorwaarden, of na deezes in Gods handen [taande affterven zyne kinderen EN ERFGENAAMEN ëfc. Waarom, al had ook Mevrouw de Gravin de erfnis van haar wylen vader pure

aan.

Sluiten