is toegevoegd aan uw favorieten.

Zeedelyke geschiedenisse of aangenaam winter-groen. Vervat in verscheide stichtelyke gedichten en voornaame leerstukken.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C -7* )

"li daarom Het de Roomfche Landvoogt Pild' tus, hem zoo fchriklyk Geejfelen; ut gravifff mis vulneribus ejjet Jaucius, zie Machab, 14: 45. dat zyn Lichaam van de felfte GeeffelItreeken verwond en als gefcheurd is geworden. Zyne Schoonheid, en fchooneLicbaamsgejlalte waren jammerlyker wyfe verandert; zyne klaarfchynende Oogen verboren daar by het Licbt; zyne zoete Mond leed den bitterften Dorft; zyn allerheyligft Hoofd boog zig neder van Smerten: Ja, de Schoonheid was zo zeer van Hem geweken, dat tmTchen Hem en eenen Melaatfcben, geen Onderfcheid was te vinden. Hy fcheen als Niets te zyn, die dog de Goddelyke Wysbeid was , en veel fchoonder als dat Goddelyk Wereld - Licht, de Zonne, zo dat Hy alfoo niet ongevoegelyk mogt uitroepen : tot wat eene verdrukkinge hen ik gekomen, en tot wat eenen grooten vloed, daar in ik nu ben, 1 Machab. 6: li. Die ik voormaalen zo bemind was. Daar zy zelve , die Hem te vooren met Gejuycb en Vrolykheid in de Stad Jerufalem hebben verzeld, die vermeerderen Hem de ééne Pyn over de anderen, den éénen Slag over den anderen, de ééne Wonde over den anderen; en maken dat 'er voortkomt Bloed by Bloed : tot dat zyn allerfchoonfte Lichaam , zodanig was, dat 'er geene Gedaante nog Heerlykbeid meer aan Hem te zien was; dewyl Hy zoo veele Slagen heeft ontfangen, welke men niet weet of tellen kan; nadien Hy onfe Zonden heeft gedragen, welke, van wegen hare Veelheid, boven alle Weetenfcbap en al het Getal gaan.