Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W O L F. 25

welken liet wilde ros moet Haan blijven, en met verder kan.

v e 1 t. Ja, en waaraan gij en uw ros neus en mond te bloeden, of wel de héfsféhs aan ftukken floot.

Zo dacht Veit over de hulp der Grooten, en zocht altijd zo te handelen, dat hij dczelven niet behoefde. Zijne feeveiisregela ontbeende hij van eenige fpreukjens, welke hij rog van zijnen Grootvader geërfd had en. naamvkeurig volgde. Waar deeze niet toereikende waren, nam hij zijne toevlucht tot foortgelijke voorvallen , welke hij beleefd had, vergeleek ze met elkander, overwoog derzelver gevolgen, en trok zich daaruit leeringen Vond hij ook hier geene uitkomst, dan moest de Priester hem raaden. In het algemeen volgde hij hij (ttptlijk alle bevelen van zijne Overheid of van den Priester, maar maakte te huis zijne Glosfett op dezelve. Want — zeide hij — gehoorzaamen moet ik; waartoe ware ik ander Onderdaan: maar heb ik gehoorzaamd, dan moet ik 'er ook over nafrtuffelen; want daartoe heb ik menfchen verftand. Zijne kinders, gelijk ook zijn huisgezin, leidde hij vlijtig op tot bidden en zingen , dewijl dat zegen in huis bragt. Spooken en verfchijningen van geesten geloofde hij, gaf veel acht op indrukfels en voortekens, en zat gaarne des avonds in de fchemering in deu kring van zijne kinderen, buuren en knechten , liet zich door hun vertellingen en fpOokgefchiedehisfen verhaalen, en verbaal13 5 de

Sluiten