is toegevoegd aan uw favorieten.

Overleveringen der voorige eeuwen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WOLF. S7

Heeren bragt, en reeds voor den burg ware. Veit ftond langzaam op, greep de hand zijner dochter,

en ging met haar aan het venffer geen wcord

lpraken zij. Beiden als droomende, de oogen op de burgpoort gevestigd, gelijk iemand, wiens huis door den brand inftort, daar hij weet, dat alle hulp

vergeefs is nu met nederhangende armen en

drooge oogen in de vlammen ziet, zo onverfchilig geworden door den fchrik, dat elk hem Hechts voor eenen nieuwsgierigen gaaper zoude houden. De burgpoort ging open, en Wolf fprong met vrolijk geblaf en hooge kruisfpvongen na binnen.

Nu klonk 'er een vreugde gefchrei der knechten:

Hij leeft.' Hij leeft! en nu zag Elfemoed

haaren gemaal aan Attichs zijde ter poorte inrijden. De fchielijke overgang van fmarte tot vreugde floeg

haar neder zij viel onmagtig in Veits armen.

De door vreugde verdoofde vergaadert gemaklijker en fpoediger zijne krachten en kennis, dan hij, welken overmaat des ongeluks van gevoel beroofde. Nog eer de Graaf in de kamer trad , had Elfemoed zich opgebeurd: met opene armen ijlde zij haare echtgenoot te gemoet, floot denzelven zo vast in de zachte "banden der liefde, als wilde zij eenen beminden vluchteling van nieuws kluisteren, riep door haare kusfen het glimlachen weder te rug in deszelfs gelaatstrekken, welken bekommering en droevig voorgevoel tot nu te zameu getrokken hadden, en weende in zijne armen der vreugde aangenaame traanen.

F 4 Zo