Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

BOEK

XI.

HOOFDST.

J, voor C.

170 J. van R,

582.

Wederzijdfcheklagten var de Cartba gers en var

MASINISSA

154 romeinsche

blijf: dezelve werd hun aan den uithoek van Spanje in Cartceia bij de engte van hercules aangeweezén, waar zij, onder den naam van vrijgelatenen, eene Latynfche volkplanting uitmaakten (1).

Gelijk de Romeinfche Raad den Spanjaarden thands allen genoegen gaf, om .zich van derzelver altijd geduchten opftand, geduurende den nieuwen Macedonifchen krijg, te ontflaan , was dezelve, om geene andere reden , mede alleromzichtigst jegens de Carthagers, wier vermogen door den langen vrede en handel weder aanmerklijk genoeg was geworden , om hunne deelneming in de MacedonifcJie belangen geducht te maaken. Gulussa, masisinis sa's zoon, en een Carthaagsch Gezantfchap dienden zich gelijktijdig te Rome aan. Gulussa", die het eerst gehoor kreeg, gaf breed op van zijnes vaders onderftand aan het leger in Griekenland en bereidwilligheid voor het vervolg , doch waarfchuwde den Raad tevens voor de Carthagers, die, in fchijn ten dienfte van den Raad, eene aanzienlijke

(O Liv. L. XLIII. c. 3.

Sluiten