Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII.

boek V.

h00fpst.

J. voor C

54J. van R, 698.

32 ROMEINSCHE

Inmiddels hadden de beide Confuis hét loc getrokken over de twee krijgsgewes-

ten,

hem, zoo wel ais aan zijnen broeder, het opzicht was aanbevolen over het wederopbouwen van den Tempel der aarde met en nevens zijn huis op den Palatijnfchen heuvel, (zie D. XV. bl. 357, 363.) wilden zij zulks in een opfchrift op dien Tempel te kennen geven: doch, dit niet zonder openbaar gezag mogende verrichten, vernamen zij, dat clobius zulks zou tegenhouden. Cicero gaf zijn verlangen en vrees aan pompejus te kennen, die hem raadde, 'er met crassus over te fpreken. Cr as sus toonde zich terftond dienstvaardig, maar zeide hem: „ dat clodiüs zelf, met behulp van pompejus en van hem, eene vrije zending wilde vragen , ten einde in een openbaar charakter naar Bijzantiam te reizen, en van Koning brogita^ rus eenig geld wegens beweezene dienden te gaan ontvangen, en dat clodiüs hem nu zeker niet in den weg zou zijn, wanneer hij Hechts ver. zekerd was, dat cicero hem niet hinderlijk zou Wezen." Schoon nu cicero zelf een openlijk beftrijder der zoogenaamde vrije zendingen was geweest als Conful, (zie D. XV. bl. 40, 41.) fchreef hij echter over dit, door hem aangegaan, geding aan zijnen broeder. „ De geheele zaak is enkel om geld , waaraan ik mij niet veel laat gelegen liggen , al bekwam ik zelfs mijnen wil niet." — Het lot van zijnen brief, waarin hij van de afwijzing van cato als mededinger naar het

Pra.

Sluiten