is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinsche geschiedenissen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2o0

romeinsche

VII.

BOEK.

X.

HOOFDST

J. voor C

48.

J. van R 704.

Misleidende togt var

«ESAR,

en ongemaklijk werd , en dat het alzoo geen werk zou zijn voor hem , die het eerst de bergengten kon bereiken, om den anderen den doortogt te beletten. Men was het in den krijgsraad van petrejus en afranius oneens over den tijd , om derwaards af te trekken. De meesten oordeelden: ,, dat men, des nachts opbrekende, de engten zou bereiken, eer de afcogt bemerkt wierd." Anderen beriepen zich op c m s a r's allarm van den voorigen nacht, om te beweeren: „ dat men niet ongemerkt kon aftrekken, vreesden het meest voor deszelfs ruiterij in den nacht, en meenden, dat het krijgsvolk bij dag trouwer zou blijven aan den krijgseed, weshalven zij oordeelden , dat men 'er liever openlijk , fchoon met eenig verlies, moest doorflaan." Het laatfte gevoelen werd omhelsd , en den volgenden morgen vroeg ftond het te worden uitgevoerd.

CrasAR was hun hierin voor. Zodra het begon te daagen trok hij met alle zijne benden uit, en nam tevens eenen aanmerklijken omweg, zonder zelfs eene bepaalde richting te houuen, wijl de meeste wegen naar Oiïogefa en den Iberus door vijanden

be-