is toegevoegd aan uw favorieten.

Romeinsche geschiedenissen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44° romeinsche

VII. BOEK.

X.

HOOFDST.

J. voor C.

47J. van R.

?°5-

}

Peneus leschte. Hij volgde voords den oever dier rivier tot aan haaren mond, alwaar hij het overfchot van dezen naaren nacht in eene visfchers hut doorbragt. Met het aanbreken van den dag begaf hij zich in eene kleene rivierfchuit met allen, die van vrijen ftaat waren en hem gevolgd hadden: doch zijnen flaaven beval hij, zonder eenigen fchroom naar caesar te gaah. De kust langs varende, viel hem een groot koopvaardijfchip in het oog, het welk zeilvaardig lag. De fchipper, petitius genaamd, was een Romeinsch burger, die wel geene gemeenfchap mee pompejus had gehad, maar echter zijn gelaat wel kende. Toevallig had hij dien zelfden nacht gedroomd, dat pompejus hem in eenen vernederden en droevigen !ïaat hao" aangefproken, en verhaalde dit iu juist aan zijne maats, wanneer een ïunner hem deed opmerken, dat eene rivierfchuit op hun aanhield, en zij door de aienfchen, die daarin waren, gefeinsd werlen. Petitius onderfcheidde pompejus terftond, zoo als hij van hem had gedroomd; liet de boot uitzetten; reikte zelf hem de hand; fprak hem terftond

min-