is toegevoegd aan uw favorieten.

Rechtmatigheit van het formulier van Alexander VII, en van de Bulle Unigenitus van Clemens XI.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78 Hl. BRIEF.

waar mede Christus den Vader beminde, als waar mede wy eindelyk willende, en niet gedwongen doeu. Zie daar de eerfte grontftelling van Janfenius, duidelyk, en bondig, zo ik meen, uit zyn boek bewezen, waar uit dan ook blykt, dat hy de derde der vyf gedoemde Hellingen 'in haren natuurlyken zin geleerc

heeft. .

De twede vint men met minder opentlyk in zyn boek voorgedragen, ja zo ernftig aangedrongen, gcftaaft, en met texten uit Augustinus bevestigt, dat het ongeiooflyk is, dat iemant zulks oit in twyfel zou kunnen trekken. Namentlyk hy beweert ronduit dat 'er geen andere genade des Verlosfers is, als de krachtdadige, of'die met de uitwerking gepaart gaat, en verwerpt alle genoegzame genade, die van de krachtdadige onderfcheiden is, zelfs die in den zin der Thomisten, welke, zoals, zy leren, het vermogen alleen, en niet de daat geeft.

Hy zegt wel in zyn 3 Boek De Gratia Christi Salvatoris, Het 1 Hooftftuk: „zo men het „ aldus opneemt, dat genoegzaam genoemt

, worde, zo als het van velen gedaan .wort, ', het geen genoeg is, op dat de mensch ge-

, zegt worde te kunnen doen, van enezoda$ nige genoegzame genade valt hier geen twist: „ want ene diergelyke genoegzame genade „ zou Augustinus misfchien geen zwarigheit „ maken, om aan te nemen, fchoon by altyt „ lochenen zoude, dat deze ene ware genade '„ van Christus is, daar wy van handelen." Doch wie ziet niet in deze zelve woorden, dat hy die. zelve genoegzame genade in den zin der

Thomisten verwerpt, als gene genade van

Chris.