Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

VI.

boek

VI.

hoofdst.

J. voor C.

66. J. van R.

636.

Oorzaaken van het misnoegen des krijgs volks.

130 romeinsche

ils een braaf en langmoedig Veldheer te ioen kennen, maar verloor al zijn bedrijf den voorigen luister en dank, in zoo ver zelfs, dat hem de roem, dien hij door goed geluk en eigene werkzaamheid had verkreegen, fchier weder ten eenemaal ontviel.

„ Hijzelf had daaraan, naar het oordeel van dien menschkundigen Schrijver, geene geringe fchuld, om dat hij het hart niet wist te winnen van den gemeenen krijgsman , zich verbeeldende, dat zijn aanzien en gezag zou lijden bij de minfte gemeenzaame dienstbetooning aan zijne onderhoorigen. Zelfs de voornaamften zijner Onderbevelhebbers, die hem anders in aanzien gelijk waren , behandelde hij op geenen gemeenzaamen voet; allen befchouwde hij ze beneden zich, en liet hun niets in zijn bijzijn gelden. Dit gebrek bedorf in lucullus zeer veel goeds, daar hij anders geftalte, fchoonheid, welfprekendheid en gezond oordeel in huis-en krijgs - beleid t,en zijnen voordeele bezat ( 1)."

v Het krijgsvolk was daarbij, gelijk s a l-

LVS-

(1) Plut. in lucull. p 5i4>

Sluiten