Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

5*0

ROMEINSCHE

VI. boek

vi f.

EOOFDiT.

J. voor C.

6a. J. van R..

693.

!

• 1 t

k

b

menzwering en van zijne vrijlating van catilina, die toch het hoofd derzeive bleef, ingericht op denzelfden voet, als wij die reeds uit zijne vroegere aanfpraak aan het Volk opgaven (1), doch nu als zoo veel fchranderer voorgefteld, dat de Redenaar zich verplicht verklaarde, de werkzaame hand der Goden in dit ganfche beleid aantewijzen, en uit dien hoofden het Volk optewekken ter viering van het (/astgeftelde dankfeest ( a). Hij eindigde met dit flot. „ Voor deze zoo gewigtige iiensten eifche ik van u, Romeinen! geene >elooning mijner dapperheid, geen eereeken, geen gedenkzuil, behalven de leuwige gedachtnis van dezen dag. Al nijn zegepraal, al mijne eer, al mijne gelenkzuil wil ik in uwe harten opgericht !fi beflooten hebben. Niets kan mij ftreeen, het geen fiom is, niets, het geen

zwijgt j

(O Cic. in catil. Orat. III. c. 7.

(o) Zeer juist is de aanmerking, door van omeren gemaakt wegens de ge&eigdheid der Re. •einen tot allen zinneiijken indruk, (over q. ho. atii.s flaccus bl, u6.) alhier te pas geragt door ten brink, aanmerk, bl. 305 307.

Sluiten