Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

BOEK

VII.

BOOFDST.

J. voor C

02.

J. van R

<5po,

< J J 1 1

1 (

512 ROMEINS CHÊ

niet ten eenigen tijd nadeel toebrengen» Heb ik gezorgd, dat de heillooze en ichennige aanflagen der vermetelfte booswigten u niet konden fcbaden : het is uw plicht te zorgen , dat dezelven mij niet ichaden. —- Doch , Romeinen l zij kunnen mij nu geenzints fchaden , want groot is de onderfleuning der weidenkenden, die mij voor altijd is toegezegd ; groot is de waardigheid van het Gemeenebest, hetgeen mij altijd ftilzwijgend zal befchermen; groot is de kragt yan het geweten, 't geen hun, die het in den wind zullen flaan , zich zeiven zal loen ontdekken , als zij mij willen aanballen. Ook heb ik dien moed, Romeinen! dat ik niet alleen voor niemands vergetelheid wijke , maar zelf alle fnoodtards tarte. Indien geheel het geweld Ier binnenlandfche vijanden zich tegen nij alleen wendt, zal het aan u daan het ot van hun te bepaalen , die zich voor iw behoud aan haat en alle gevaaren heb>en bloot gefield: maar wat toch zou ik elf nog meer ten genot mijnes leevens :unnen verkrijgen, daar ik noch in uwe erbewijzingen , noch in den roem der

deugd