Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 23

[Ffy tracht , zyne eigene angst te verbergen en fchenkt voor hem in, maar zyne hand beeft. ]

natalia. Laat ik lieve vader! —

de graaf.

Waarom ?

natalia*

Gy beeft —

de graaf.

Wat gaat 't u aan, ik heb den vyand dikwijls ge.

noeg de tanden doen zien, en niet gebeefd msar

toen bad ik geene kinderen.

ottilia, [by zichzelven met Jlillen angst.

Ach, myn God!

de graaf , [ziet terzyde nierhaer, en zetzynkopjen weg.] Laat iemand nu eens zyn ontbyt doorflikken, indien hy kan. Heb ik nu niet gelyk: de waereld koomt mij voor gelyk een ding, dat hier of daar een aap onder de engelen den Schepper heeft willen uamaaken. Dc worm verflindt 't graan , de rups knaagt aan de bloeifem, de hagel flaat de halmen neder, 's Winters bevriezen de wynftokken, en in de lente fchieten de menfchen elkander dood, om het plekjen te beflaan, waar de bevrozen wijnftokken geftaan hebben.

ottilia.

Zeker is myn Frans 'er by geweest!

de graaf.

Nu ja, hy zal toch wel niet by de bagagie zyn gebleeven.

E 4, o?-

Sluiten