Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVER DE GODGELEERDHEID , «HZ. 23

Wanneer dus , de Heer Mofes Mendelszoon , om dit in 't voorbijgaan te zeggen, in zijn nieuw uitgekomen Schrift, getijteld Jeruzalem enz. de wetgeeving op Sinaï nog vol wonderen en godlijk vinden wil, laat hij dan bij eene zoele zomerlucht naa den eerden den besten hogen Berg gaan , die als zulk een onwêersfcheidïng bekend is, om zich bij een ontdaan onweder, van de ganfche daar voorgewende verfchijning der heerlijkheid Gods een duidlijk begrip te maaken. En wanneer hij , die met het VQlkomenfte ■recht, van de Christenen verdraagzaamheid voor zijne Natie vordert, aan het flot van zijn gefchrift zelv zqo onverdraagzaam jegens zijne Geloofsgenooten is , dat hij volftrekt ontkent, dat iemand van hun met ,eeh goed geweqten van het jok der ceremonieele wet. zich ontdaan kunne? wanneer hij 't hun in 't algemeen tqt een cnoplosfelijken plicht maaken wil, om zoo lang te wachten , en in onverbreekelijken flayifche.opvolging der wetten te moeten volharden , tot het den allerhoogfte W.etgeeyer goed zal vinden, die wet, zo overluid, zo openlijk, zo .ontwijffelbaar en buiten alle bedenkelijkheden weder op: te heffen, als zij gcgeeven is; zo bied ik mij aan met hem na zulk een onwêersfcheiding te reizen, en daar een onweder aftewagten, en hem als dan onder deielven plegtigheeden, het jok der wet weeder afteneemen, onder welken het hein de oude Mofes op den hals geworpen heeft.. Dat mijn Heer Mendelszoon een getrouwe-bijzondere optelling van allen bijzondere, ftukken der toenmaalige piegtigheid geeve, zo hij die uit de voorleggende oirkonde kan uittrekken, en ik fta hem 'er voor in, dat het bij het afneemen der wet niet aan. een eenigen wezenlijken omftandigheid derzelven haperen zal. Ook wil ik mij de veertig dagen en veertig nachten verblijf geval Jen laaten* indien hij flechts daar voor wil zorgen, dat wij ons ook , zo als daar bij de wetgeeving gefchiede, bij het aanfehouwen Gods genoegzaam eeten en drinken konnen! (2 boek Mofes Cap, 24 - li.) voor het overige zeg ik, zal 'er-niets aan ontbrceken; want Mofes was een mensch, dat ben ik ook i- en de heerlijkheid des Heeren zal ook eeven zopragtig, zo niet pragtiger verfchijnen , als zij ooit op Sinaï verB 4. fcb.ee-.

Sluiten