Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xxxvi VOORREDE van den SCHRIJVER.

„ wij hadden aangenomen. De kunst, om de woor„ den te misbruiken, zonder dezelve wel te verftaan,

„ was voor ons de kunst van redeneeren Wanneer

„ de zaaken eenmaal zoo ver gekomen zijn, wanneer ,, de dwaalingen zich zoo fterk vermenigvuldigt heb„ ben, is 'er maar één middel om het denkvermogen „ in order te brengen; en dit is, dat men alles ver„ geet, wat men geleerd heeft, dat men zijne denk„ beelden weder van den oorfprong af ophaalt, dat „ men derzei ver vorming nagaat, en dus, gelijk b a„ co zeide, het menfchelijk verftand op nieuws vormt.

„ Dit middel is des te moeilijker hoe kundiger men „ meent te zijn. Derhalven zouden werken, in welke „ de wetenfehappen met veel netheid, met veel naauw„ keurigheid en in eene juiste orde behandeld wierden, ,, niet onder het bereik van ieder een zijn. Zij, die „ niets beftudeert hadden, zouden ze beter verftaan, „ dan zij, die veel geftudeert hebben, en vooral dan „ zij, die veel over de wetenfehappen gefchreeven „ hebben."

De Abt condillac voegt'er op het einde van het vijfde Hoofdftuk bij: „ Maar, eindelijk hebbende „ wetenfehappen vorderingen gemaakt, om dat de wijs„ geeren beeter waargenomen, en in hunne taal de „ juistheid en naauwkeurigheid overgebragt hebben, „ waarmede zij hunne waarneemingen hadden in het „ werk geftelt; zij hebben de taal verbetert en men „ heeft beter geredeneert."

Sluiten