Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

134

Bijbel-gefchiedenis

aan zijnen vader zal hebben kennis gegeven , oflï den ouden man te vertroosten ; doch, behalven, dat, toenmaals, de gemeenfchap, tusfchen landen en volken , niet zoo ligt en gemaklijk was, als thans, bij ons, in Europa, zoo verboodt de wijsheid en voorzichtigheid zulks aan Josef. Hij

moest, door zijnen ijver en werkzaamheid, zijne trouw aan zijnen Vorst kenbaar en beproefd maken , en toonen, geheel aan zijnen dienst verbonden

te Zjjn. Daarenboven , Josefs gedacht was

een omzwervendx herdersvolk , hoedanigen , bij de Egyptenaren, gehaat waren, en voor onrein gehouden werden (*> Josef, derhalven, wijs en

godvruchtig, de verdere uitkomst van zijn lot, aan het beleid der Godlijke Voorzienigheid overgevende, volbracht den pligt, hem door den Oppervorst van Egypte aanbevolen, met getrouwheid.

De volgende zeven jaaren waren, in de daad, jaaren van overvloed. Geduurende dezelven, bracht Josef al het overvloedige graan, door geheel Egypte, bij een, leggende hetzelve op, in koornfchuuren, ten dien einde, door hem, in alle lieden, gebouwd, om, in de toekomende jaaren van gebrek, daarvan gebruik te kunnen maken.

Voor dat het eerfte jaar van misgewas, in het land, kwam, hadt Josef twee zoonen verwekt, bij zijne Egyptifche huisvrouw, Manasse en Efraïm, zoodat ook zijn huislijk geluk gevestigd werdt.

Nadat de zeven jaaren van overvloed verlopen waren, namen, juist, volgends de voorzegging van Josef , de jaaren van onvruchtbaarheid en gebrek,

eenen

(*) Gen. XLVI. 34-

Sluiten