Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des N. Testament!. 1. Afdeeling. 703

rioth eene aanmerking, welke zijne hebzucht hem ingaf; waar toe, zeide hij, deze verfpUling? de balfem was wel 300 zesthalvcn waardig ! waarom dien niet liever verkocht, en het geld aan de armen gegeven? Hij droeg, naamlijk, de gemeene beurs van het gezelfchap van Jesus en zijne leerlingen, en hadt liever gehad, dat dit geld daar in geftort was, dan ware het onder zijn opzicht gekomen; cn zijn karakter was niet het eerljjkfte. Zijne bedenking kwam, ondertüsfchen, aan de overige leerlingen, die zijn hart niet kenden, zoo gegrond voor, dat zij dezelve toeftemden, waardoor Jesus zich verpligt zag, om Mariü tc verdedigen, gelijk hij deedt, met die aanmerking, dat zij hem dus, als 't ' ware, ter begravenis hadt bereid, dewijl zijn dood aanftaande was, waarom men ook van deze vrouw, en hare liefde en dankbaarheid jegens hem, nog in

laater eeuwen, met roem gewagen zou. En,

wat de bezorgdheid der leerlingen, omtrent de armen, betrof, deze kwam thans niet te pas , men zou altijd armen bij zich hebben, en, indien men daar toe oprecht gezind was, het zou nooit aan gelegenheid ontbreken, om hun wel tc doen, maar hein zou men niet altijd bij zich hebben. (*)

Thans voerde Satan in Judas; hij nam liet gezegde van zijnen Meester euvel op , zijn geweten voelde zich getroffen. Van nu aan, nam hij het befluit, om Jesus te verraden, en aan zijne vijanden in handen te leveren; hij vervoegde zich bij hun, cn vraagde, wat zij hem wilden geven, indien

hij

(*) Matth. XXVI. 6-13. Mark. XIV. 3-9. JoSkn. XII. 1-8,

Sluiten