Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 [12] PS AL M III: 2.

!2.

PSALM III: 2.

O Heer! hoe zijn mijne tegenpartij ders vermenigvuldigd.

[Hoe vreeslijk groeit, 0 God! Het faamgezworen rot, Der genen die mij drukken!]

Alles, wat mijne vrijwillige werkzaamheid in den weg fïaat — moet ik als mijnen vijand aanzien. — Hoe vele hindernisfen mijner rust en vrijheid omringen mij! En al is het, dat ik nog zoo

zagt, met nog zoo veel verfchooning en geduld van de menfehen oordeele, hoe velen zijn er; des niet te min, die mij, met of tegen hunnen wil, fmerten veroorzaaken? — En, hoe meer ik mij voor godsdienst en deugd, Christendom en christelijke deugd verklare, hoe meer fcheeve, fcherpe , en argwanige beoordeelaars en vijanden mij omringen! Evenwel wil ik pal liaan, moed behouden, en mij door mijne vijanden laten louteren, nader tot God brengen, en van elke menschlijkheid, die mij aan het arglistig oog mijner vijanden blootftelt, laten te rugge brengen. — Hoe meer vijanden ik hebbe, hoe meer arbeiders ik hebbe aan de volmaking van mijnen geest en hart! Ik wil minder klagen, — dan mij hunnen boozen toeleg ten nutte maken.

13. PSALM

Sluiten