is toegevoegd aan uw favorieten.

Handbijbel voor lijdenden.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

62 [5i] PSALM XVII: 8.

holpen. — Nooit kan hij ophouden te helpen, even zoo weinig als hij kan ophouden God te wezen. Hij die mij fchiep, kan mij nooit geheel aan mij zeiven overlaten. — Mijn lot is Zijne zake. -— Hij heeft het wel gemaakt. — Hij zal het weimaken. — De Vader van alle welwillen kan onmogelijk kwalijk willen. — De hoogfte Wijsheid kan

nimmer doel misfen:. Zoo lang het mij klaar

blijft, dat ■wijsheid haar doel niet kan misfen, dat goedheid geen ander dan een weldadig doel kan

hebben, zoo lang mag ik gerust — en veel

geruster zijn, dan of mijn lot geheel aan mij zeiYen ware overgelaten.

5».

I PSALM XVII: 8.

Bewaar mij als het zwart van uwen oogappel, verberg mij onder de fchaduwe uwer vleugelen.

Aan uwe befcherming wil ik mij geheel overlaten, getrouwe Vader! Gij alleen kunt mij ware veiligheid geven! Ach! Werwaards ik mij keere, overal vind ik onmagt. Nergens vind ik, wat ik meest noodig hebbe — wat mij ruste kan geven. — Mijne ellenden drukken mij zeer hard; Ik zucht

uit