Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6 Steun des vrinds der zanggodinnen'. Het oordeel, dat u fteeds verzelt, Toont dat gy zyt in ftaat gefield Tot heerfchen... en tot hartenwinnen! Maar 't lot,het grillig Jot! dst met den fterfling fpeelt, Heeft Hechts u toegedeeld 't Beroep, om ons te toonen Wat waereldgrooten zyn, wat driften in hen wonen... Verdienden zonder loon! zie myn vrindin, Wanneer gy geemlyk klaagt:,, het lot fchonk my te min."

Maar, ó wattier! ik ben te vaardig Tot laking van het duister lot: *t Heeft duizendwerf myn wit befpot; Maar is het daarom lakenswaardig ? De fterfling, die hier niets dan flechts ten halve ziet, Kent 's Hemels fchikking niet, En wil toch redeneren! Schoon 't lot u kwalyk loont, vrindin! laat my ü leeren, Dat wiens verdienste en deugd elks achting voed, Celyk gy akyd deed, van 't lot niet klagen moet.

N.

1784,

Sluiten