Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aS INLEIDING.

kender perfoonlyke deugden onderftellen, dan of ,zy aait Christenen waren gegeeven geworden ( 16 ).

In

( 16) ln de XII eeuw werden door de Jooden, omtrent Nimes, Univerfitaiten of Akademien gefticht. De Natie bragt toen Mannen voort, die door hunne geleerdheid aller achtinge verdienden. Rabbi Abraham, Hoogleeraar te Vauvert, zag zich omringd van zeer veele leerlingen, zelfs uit ver afgelegen gewesten. By 't gefchenk zyner kundigheden voegde hy menigmaal een gedeelte zyner goederen, om dus zyne behoeftige voedfterlingen in hunnen bei-rompen ftaat te onderfteunen. Men zie de Beknopte Historie van de Stad Nimes, gedr te Amft. 3767, bl. 24. en iy. En 't geene inzonderheid onze opmerking verdient, is, dat de Schryver zich daarin aldus uitdrukt : „ In. dien wy geen zekere gedenküukken hadden over dit gedeelte van de historie des menfchelyken verftands, ( naamelyk de weetenfchappen ) zou men hedendaags naauwelyks konnen gelooven , dat een Jood zo groot eene edelmoedigheid bezat; en dat het deeze Natie is, waaraan men de wederopkomfte der weerenfchappen en fraaie konden venchuldigd is". Men zie ook den

Baron de Kloots in zyne Brieven over de Jooden, van bl. 69 •

73. van Coimenar in zvne Jaarboeken van Spanje en Portugal JV D. bl. 8. Als ook Jofephus Sealiger, Schryver van de zestiende eeuw, over de jaareh der Jooden, in 't VIII Boek. Misfchiert wos het eerfte Heldendigt , dat over de Sterrekunde in 't licht verlcheen, dat van den Rabbi Guebirol, Schryver van de XII eeuw; alhoewel zyn leerftelfel ganfchelyk gegrond is op das van Ptolomeus, 't welk toen ter tyd algemeen was aangenomen.

( Hier by voegen de Schryveis nog eenige digtkundlgë ft ukken, om. door eene vergelykinge daarvan met Voltaire en Rousfeau, aametoonen, dat het hunnen Rabbynen aan geen verhevenheid in deezen tak der fraaie weetenfchappen ontbreekt; doch dewyl wy hie-van geen verflag konnen geeven zonder het reeds vertaalde wederom te vertaakn, gaan wy dit met ftilzwygen voorby.)

Wat het Qvema^uurkundige betreft; daaromtrent raadpleege men de Schriften der Rabbynen Jeuda Levi en Bahie van de XII eeuw, inzonderheid hunne verhandelingen over het beftaan en de eenheid van God, en over de Onfterflykheid der ziele; dezelve zonder vooroordeel vergelykende met die der hedendaagfche Oveüna'uurkundigen, en daarna uitfpraak doende. Dan, ongeluk kïglyk zyn het deeze Schriften niet, welke men leest en overweegt om 'er over te oordeelen. De Talmud met deszelfs c ■ ca-.eryen en Oosterfche verdichtfelen (volgens de befchryving, wèike 'er onze tegenpartyea van geeven) is bykans het eenige

waar?

Sluiten