Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H U W. L IJ K 5 L I E F D E, 229 heer, zegtze, mijne hartelijke dankzeggingen te betuigen aan deze Mevrouw. Ik ben zeer getroffen over haare goedheid, zo wel als over de uwe : maar dezelven zijn volftrekt vruchteloos. Ik ben voornemens geen een hulpmiddel aantenenjerj. ,, Mijn man is „ dood Mijnheer! wij waren arm. maar wij ,, beminden elkander teeder!" (d't zijn hare eigene uitdrukkingen.) En op dit gezegde verftnolt de weduwe als in traanen. De Pastoor wilden haar vertroosten en haar vermanen om zich te onderwerpen aan de beduiten der Voorzienigheid. Niets anders dan deze woorden ontllipren haar:— Mijn Heer Pastoor! belet mij het derven niet: zoude ik God beledigen, door te wenfchen niet mijnen man weder vereend te zijn ?

Deze vrouwe zoo medelijdenswaardig, fprak zints ditoogenblik niets meer; weigerden zelf alle foort van verwerkingen die men haar toedienden; en ïiiërf des anderen daagsch, de zesde dag, na den dood van haren Echtgenoot, den braven Landbebouwer.

8 E-

Sluiten