Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EN SWITSERLAND, 27

door den Bisfchop met een ongemene deftigheid uitgefprokene vermaning zette mijne lagchfpicren onwillekeurig in beweging; en nog wel een halven dag daar na ware het mij onmogelijk geweest hem Itijf in het gezigt te zien en ernftig te blijven.

Des keerde ik mij, na dat ik het antwoord, het "welk op mijne lippen zweevde, waarlijk niet uit vrees, maar uit medelijden, onderdrukt had, tot enen anderen reisgenoot, en liet onze Ex-franfchen aan hun eigen lot over. De gemelde reisgenoot was een duitsch koopmans - bediende, die mij van den beginne af, misfehien om dat ik rond hair droeg, Herr Magister, genoemd had. Wij fpraken over Duitschland, duitfche-boeken, mufiek enz. Een halv uur voor zonnen ondergang, het was een zeer fchone avondftond, reedden wij voorbij een klooster, welks tuin door een hogen muur omringd was, en over dien muur hingen de kruinen van zware kastanje-bomen neder, werpende hunne fchaduw op den weg.

Dit gezigt riep aandoeningen in mijne ziel te rug, die ik onder het lezen van Siegwart bij de tekening van het klooster, voor de eerfte reize gevoeld had; gevoeld had in die jeugdige jaren, waarin de rede nog minder fterk hare item doet horen, maar de zinnen daar en tegen nog alle hare reizbarfceit... irritabiliteit... of hoe zal ik het noemen, bezitten, en door veelvuldig genot nog niet ftomp geworden zijn. Ik gevoelde niet het geen ik nu zag, maar het geen ik eertijds gezien,

he£

Sluiten