Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

30 DE SPITS-ROEDEN.

ik daar, of myn eerde Vervolger fnelde naa my toe. Ik wilde opftaan; hy vatte my de hand; — „ Slegts één paar oogenblikken, bezweer ik u te blyven! zei hy met eene zagte item: Zyt gy niet veilig voor alle beleedigingen , in zo groot een gezelfchap ? Is het dan zo zwaar eene zaak, my te hooren fprceken? en zoudt gy de nieuwsgierigheid der menigte niet veel meer tot u trekken, als gy fchielyk van hier gingt, en ik u even fpoedig volgde; dan door een onfchuld:g gefprek me: my?" —■ Was het de blykbaarheid van zyne redenen , was het de zwakheid van myn hart; — althans, ik ging weêr zit:en, en hy wierd myn naaste buurman.

Toen veranderde hy , op 't oogenblik, den aart van zyn gefprek ; men kan wel denken hoe. Nu noemde hy, onbefchroomd myn Naam; nog ftoutmoediger verwisfelde hy zyne voorige loffpraak, voor eene openlyke bekentenis zyner liefde ; wel in uitdrukkingen die allerbefcheldenst waren, en doorweeven met de fieraadien der fynfte vleiery; maar egter duidelyk genoeg om myn misnoegen gaande te maaken. Ik vraagde hem, half verbaasd, half verdrietig: Waar door — gefteld ook, dat hy my kende — Waar door ik ooit een vreemd Man het minlte regt gegeeven had, zulk een taal tegen

Sluiten