Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

28 LO D E Wij K. van SE E L B E RG.

zocht, cn die zij door de beleefde aanneeming vatl zijnen brief, en het daarop gegeven antwoord had gefchenen te bcgunftigen, dat Bij min of meer ia verlegenheid geraakte, in welke uitdrukkingen hij haar wel zou moeten aanfpreeken : eindelijk ze'ide hij: „Mejuffrouw ! het kwam mij deezen naden„middag, toen ik u aan het venfter zag, voor, „ alsof gij weendet en reikhalsdet naar iemand, „ die u in den toeftand, waarin gij u bevindt, en „ die misfchien de aangeuaamfte niet is , mogt „ onderfteunen - ik kon onmogelijk zulke fchoone „ oogen in traanen zien zwemmen," ( hierbij vattede hij haare hand, die zij niet terug trok, en drukte dezelve,) „ zonder aangedaan te zhai doof „ medelijden en begeerte, om u te kunnen hel„ pen: ik kom derhalven , om u mijnen diensï „ aantebieden: hoe zeer ik door uwe fchoonheid „ getroffen ben, heeft mijn brief u reeds te ken„ nen gegeven; thans wenscli ik alleenlijk van u „ te mogen weeren , of gij voor een mensch, gc„ lijk ik ben, eenig vertrouwen en genegenheid „hebben kunt, of niet?" — Het meisjen antwoordde met nedergaflagene oogen: „ Uw per„ foon, Mijnheer! mishaagt mij in 't geheel niet, „ en ik twijfel ook geen oogenblik, dat uw me„ delijden met mijnen toeftand oprecht is-; doch „ gij > llocn een'§ nïeriseh in de wereld, kan mij „ helpen: ik zal nimmer een vrolijk uur meer be„ leeven . . . laatcn wij 'er liever niet meer Van „ fpreeken!"

Sluiten