Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de ZUIDZEE.

5?

nu was het ogenblik van woede voorbij, en de hoofden waren bekoeld; men begon te gevoelen, dat de heer de Grifalva gelijk gehad had, en fchaamde zich reeds over de gepleegde weerfpannigheid. Wel hoe, zegt hij nog eens, gij andwoordt niet"? — Naar d efchepcn! roept éne Item, en dit geroep wordt dat van allen.

Zonder wilden ontmoet te hebben, herneemt men dan den weg naar de fchepen; en de twee eerfte voorwerpen, die bij het terugkomen op het voetftrand, ons in het oog vallen, zijn de matrozen, die wij zochten, en die al dit gewoel veroorzaakt hadden. Dezen, ziende, dat zij geen tijd hadden om de Hoep te bereiken, hadden zich met de vlucht gered, en waren uit vrees van ontdekt te worden, tusfghen de rotzen plat op den buik gaan liggen. Dit onverwacht opdagen der twee matrozen,. die men. voor gevangen of gedood hield, maakte op ons volk enen indruk, die meer liet gevolg van verwarring, dan van verwondering was, en die meer deed, dan alle mogelijke ftraffen hadden kunnen doen: waarom de heer de Grifalva verklaarde, dat hij zich daarmede te vreden hield. Deze indruk ging ook zo diep, dat er federt en gedurende de gantfche overige reis gene de minlte muitetij op de fchepen is befpeurd geworden, i Deze dag was in alle opzichten voor ons zeer droevig. Men was op ons aangevallen; en, hoe zeer wij geweld met geweld gelukkiglijk hadden te keer gegaan, wij hadden menfehcnbioed vergo-

Sluiten