Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i)E ZUIDZEE. 453

er in deszelfs natuurlijken ftaat even als een valhoed uitziet, en het welk het dier famentrekt of tot meer dan tien duimen verlengt; wanneer het wil, zo dat het een diepe zak vormt, waarvan het de opening fluit door de randen toetedrukken, even als of het een beurs was; Wanneer het regent, verlengt hij zijn vel, opent zijn beurs en verfpreidt over het kraakbenig rond, waaruit ze beflaat, een vocht, het welk even lijmig is als vogellijm. Wanneer zijri beurs vol water is, zegt men, dat hij aan den oever der zee blijft wachten, tot dat een vogel voorbij vliegt en er uit komt drinken. Op het ogenblik, dat de vogel den hals uitrekt om tot den grond van de beurs te reiken, fluit het dier zijne beurs , vat aldus den vogel bij den kop, fmoort denzelven en maakt er zijn prooi van; zo dit mist, kan toch de vogel, die tusfchen de poten gevat wordt, het niet ontkomen; het dier brengt denzelven onder het water, verdrenkt en eet hem.

Ik erken, dat ik van zulk een buitengewoon verfchijnfel nimmer ooggetuigen geweest ben, en dat ik veel moeite hebbe om hetzelve te geloven, niettegenftaande er mij door vele Franfchen, die alle geloof Verdienen, alle verzekering van gegeven is. Dan op een dag naar de haven gegaan zijnde,trof ik een van deze twee halfflachtige dieren aan, die in het zand lag ; ik had het eerst voor een (leen gehouden, en zou hetzelve in het geheel niet opgemerkt hebben, zo men mij het dier niet had aangewezen. Ik raakte deszelfs rug Gê me*

Sluiten