Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. 2j

philip.

Ali zij maar niet weêr terugkeert.

De Heer van graf.

Laat zij maar koomen, als zij wil; binnen tweemaal vier-en-twintig uuren gaan wij op reis. Als wij van hier zijn, mag het gaan zoo het wil. Mijn oom heeft geene hoop meer van herftel. Sterft hij, zoo weet de Hemel, wanneer Wij weerkomen , zeker binnen de cerfte jaaren niet. En zoo het ons aldaar wel gevalt, blijven wij 'er welligt altoos.

philip.

Dat haar de duivel het naioopen maar niet ingeeve!

De Heer van graf. Zoti een meisje zal ons zestig uuren wegs naloopen? Ik ben thands onbezorgd. Ik zal voor mijne brieven ook wel zoo veel zorg draagen, dat zij niets zullen leezen, dan het geene zij moogen.

PHILIP.

Het is een geluk , dat freule Bella niets uit her meisie gewaar wierdt; gij zoud geene hoop meer hebben. Het is verbaazend, hoe zeer zij den Heer van Bergen bemint.

De Heer van graf. Ik wenschte dat de kaeiel was daar hij 't wel had. Om den prefident, en op dat Bella niets vermoede, moet men jegens hem nog beleefdheid voorwenden , of-

fchoon men heimlijk van ergernis flikken mogt.

Maar ik wil hem in zijn bederf Horten: mijn beftek is reeds gemaakt.

B 4 phi-

Sluiten