Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ngt LODEWIJK DE ZESTIEND E,

Den naam van Heiligen, met allen recht, bekwam; Het deugdfaam heldenbloed van Vierden Henriks looten, Uit grooten Lodewijk hoogst waard' te zijn gefproten , Een' koning, die zijn hart had aan de deugd gewijd, Onttroont te zien ten bloei van zijnen levenstijd; Hem door een'woesten Raad, door woedend graauw gefteGelijk een' fcbelm, te zien in 't kerkerhol gedreven; (ven; Hem wreed te zien gefeheurd vangemalinne en bloed, Een wreedheid, die noch volk noch Raden voordeel doei; Hem fchuldeloos te zién verwijzen, en te zwijgen, Die koelheid kan ik niet van mijn gemoed verkrijgen. Neen .' ik zal na uw' val, door ongeneesbre pijn,

De elendigfte in dit land , ja, van de menfchen zijn. LODEWIJK.

éi Hemel! die mij lang voor 't heil mijns volks deed waken,

Moet dan mijn noodlot zijn elendigen te maken?

Jk ruk mij los van de aarde, en, ach! hoe fchriklijk vlug

Brengt gij, mijn hart ter ftraf, mij tot het aardsch te rug!

Vrind! alle tederheid moet voor ons beiden enden;

Och! zij vermeerdert Hechts en uwe en mijne elenden.

Laat, daar mijn hart alleen natuur en liefde vreest

Mij 't onwaardeerbaarst goed, de kalmte van den geest.

Mij dunkt ik hoor gedruis beneden aan den tooren.

Zou 'k andermaal zo vroeg een' zendling moeten hooren f

Ik zie den afgezant van 't mij ontroofde rijk.

Een bende nevens hem! mijn beulen!

Twee.

Sluiten