Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

D E 'K L A G E N D E „ SCHIPPER.

K

1\ beb vaak zoo meenig Planter dienft ,beweezen,

Mijn Zeelicn voor hun hijgend afgemat; D' oprechte trouw deed mij geen onheil vreezen, Wat wierd mijn goedheid Hemelhoog gepreefen,

Wen men aan Boord mijn Stokvifch at!

2.

Geftaadig huizen verwen, kruïjen, roeijen, Joeg 't druipend zweet uit der Matroozen leen,

Dit, dacht mij, deed mijn laft al laftig grocijen, Al zakkende mijn Schip in welvaard bloeijen, Belofte ftelde mij te vreen.'

3-

Al bedelend de Laading af te vraagen,

Die hoofddeugd werd getrouw door mij betragt,

'K ontzag geen heete Zon nog reegenvlaagen! Wat moet een arme Zeerob niet verdraagen ! 'K zwoeg nu reeds een Jaar om vracht.'

4. 'X

Sluiten