Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL. a5

CLODOMIR.

Dat dagt ik mede. Waar is eene vrouw, die, naa verloop van tien jaaren, wegens het Verlies van'haar man, nog troost noodig heeft?

DAGOBERT.

Ja wel!

CLODOMIR.

En een jong, wél gemaakt Koning, als Childe. eert, kon de meeste wegens den dood haarer mannen troosten.

DAGOBERT.

Ha! ha! gy zyt verftandig, Ridder!

CLODOMIR. En zy was, reeds, zeven jaaren de Gemaalih van Dagobert, toen hy ftierf.

DAGOBERT.

Stierf?

CLODOMIR. ( aangedaan.) He! niet ftierf? wat is dat?

DAGOBERT. (ter zyde.) Ik verraad my!

CLODOMIR.

Nu, Waarzegger?

DAGOBERT.

Wat?

CLODOMIR.

Stierf hy niet?

DAGOBERT.

O ja, hy ftierf; en, zoo myne kunst my niet be. driegt, dan ftierf hy, om dat hy de fpyzen, welke hem wierden voorgezet, niet meer verduwen wilde. — B 5 My

Sluiten