Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

t6 OOSTSKSCRB

zang des Leeuriks , die den zonnefehya aenkondigd. Geheel verheugd volgden zy Dilezim tot onder de lommer, waer zyne moeder hen wachtte en een bevallig onthael bereidde.

Zy vond haer vermaek Jn vreemdelingen te ontvangen , hen hunne lotgevallen te doen vertellen , en zich door hen te doen onderrichten in de wetten , zedan en gebruiken van hun land ; nooit verlieten zy hare wooning dan overladen van gefchenken , die door hare goedwilligheid en dé gepastheid dierbaer wierden. Somtyds be« ftonden zy in vruchten en verkwikkelyke dranken, om op hunne lange tochten hun dorst te lesfehen of zich tt verfterken, op andere tyden werd hun ryst , gezoute ▼leesch en verfcheidene foorten van gebakken gefchonken, hunne fmaek werd geraedpleegd; men gaf ook acht op de lengte van hunnen tocht, op den aert der oorden, die zy doorreizen moesten, en altoos was de onderftand geëvenredigd aen de behoefte. Werd een koopman opgehouden door het verlies van een' kameel, Dalimeck fpoedde zich om hem een' der haren aentcbieden. „ Zyt gy arm," zeide zy , „ ik fchenk

„ hem

Sluiten