is toegevoegd aan uw favorieten.

Geschiedkundige verhandeling over den trapswijzen voortgang der godlijke openbaaringen.

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jder Godlijke Openlaarin^n, 01

menschlijk genacht gegeeven moest worden, op het ernftigfte verlangen van zijn hart, dat mcj ongeduld den dag van kristus wenschte te zien, onderrigt heeft. Hij befluit uit de woorden van jesus, Joh. VIII: 56. abrahamsd blijde, dat hij mijnen dag zien zoude, dat hij .ook deeze genade, op zijn ernfttg zoeken, verkreegen hebbe. Na dat God hem naamlijk geopenbaard had, dat Hij al het menschdom door Hem zegenen wiUle, waare hij eindelijk begee.rig geworden, de manier en wijze te weeten, hoe dit gefchieden zoude. Dit offerbevel waare dierhalve alleen flechts eene verhooring van zijn ernllig zoeken geweest. Door het verbloemde woordt Dag wierd het groote offer van jesus kristus ve; liaan; want daar dit woord gebruikt wordt, niet flechts, om in 't algemeen het tijdperk van het bcflaan eens menfchen daar door uit te drukken, maai' ook zijn bezonder eigenlijk ambt en werk, moest dus daar door noodzaaklijk die omltandigheid van jesus leeven aangeduid worden, welke zodaanig een ambf en werk, 't welk Hij waarnam, afbeeldde; en deeze omftandigheid beftond daarin, dat Hij ziju leeven ter verlosfing' van het menschlijk gedacht afleidde. Het woord (zien) tevens zoude aantooncn, dat deeze openbaaring niet in eene ope.nbaaring' met woorden beftaan hebbe,, maar door

eene