Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,8 AGATHA,

Ontdekte ik hem, tot ergernis:

'i Scheen aan zijn reiskleed, dat hij eerst was aangekomen

AGATHA.

Mijn beste vriend! verban uw fchroomen, Hij heeft u in dit kleed voorzeker niet herkend. C AP EL.

Ach beider aanzicht was te fterk naar mij gewend; . Zij ftaarden vreesfelijk, met onderzoekende oogen , Op mijn gelaat, en, van verbaastheid opgetoogen, Zag ik hen fluistren, toen ik, vreezende, ommekeek, 'k Begaf mij door een' andren ftreek Op weg,niet naar ons huis, op dat men dan mijn gangen Befpieden mogt;ik heb toen hoofd, en boist, en wangen, Gewasfchen van het bloed, dat daar was uitgevloeid, In 't ftille beekje, dat zo lomm'rig is begroeid. Toen bleef ik daar, om van vermoeijing te bedaaren, En mijn' verftrooiden geest en zinnen te vergacren, IMog zitten een' geruimen poos: Maar ach! mijn geest bleef rusteloos, k Sprong eindlijk op de been, wijl gij in mijn gedachten U reeds vertoonde, als met veriangst mijn komst te wachten.

AGATHA.

Uw hart fchijnt angstig, kom bedaar

Mijn Carel, gij die 't grootst gevaar

Trotfeeren kunt, zoudt nu in moedloosheid verzinken!

Laat wel te vredenheid u weêr uit de oogen blinken.

CAREL.

Mijn fchat, ik voed geen ij die fmart, Ik ken te wel 't baatdraagend hart

Van

Sluiten