Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

]4 Sfigjft

En hoe verbazend groote onrust der ziel en treurigheid zulks bij nadenkende gemoederen kan voortbrengen, zal de volgende waare gebeurtenis kunnen lee* ren. Een vertrouwd vriend van mij, een geleerd Man en aanzienlijk Medelid van een Hoog Gerigtshof (*; had een goed bij Wittenberg, waar hij van tijd tot tijd naa toe reisde. In een zekere ftreek op 't land was een-herberg, waar de paarden gewoonlijk voeder kregen, en daar hij dan wel binnen gin*. Dit gefchiedde juist ditmaal , als de kinders van den waard uit de fchool kwamen. Hij fprak deze kinderen vriendlijk aan , en vraagde, of zij naarstig geweest waren, eu wat zij geleerd hadden. Terwijl de kinders hem vrijmoedig antwoordden, en de Leer van Christus in de fchool gehad hadden, leide hij hun eenige vraagen over dit Leerftuk voor, en liet hen eenige merkwaardige gezegden daar over opzeggen. Als de waard, daar bij ftaande, dit hoorde, vroeg hij met bewondering, of deze geleerde en aanzienlijke man nog aan Christus geloofde, en als de reiziger hem dit bij herhaling verzekerde, vloeiden den waard de traanen over de wangen, .en hij zeide: Ach , hoe verheuge ik mij te hooren, dat er nog gei leerde en voorname lieden zijn, die aan onzen Heiland gelooven! Hoe ongelukkig en troostloos zijn wijarme landlieden,daar met onzen Godsdienst zoo menigvuldig de fpot gedreven wordt! Wij weten niét meer, wat wij onder alle onze bezwaaren gelooven

V;, ' ■ ' ' • T.tnnltiié Jt**i!« j.J , en

C) Zijn aandenken i, mij te waard, dra dat ik zijn naam niet ».e.en zonde. Het wa, de Hof- «, Cancelarij - Raad van x.ejj.

Sluiten