Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CE VERHANDELING OVER I PF.TR. II: 4. Ï47

lyker, dan die kostelyke en Hechts een leven ver» toonende tempelfteenen, als de fiiadamenten van jaspis, faphieren, en fmaragden, de gehouwen fteenen van den Libanon; als een waarlyk edelgefteente, de fteenen des velds te booven gaan. En derhalven moet hy zyne fpreekwyze van die tempelfteenen ontleend , en in toefpelinge op dezelve gebruikt hebben.

III. Ja, die toefpeling is zelfs eigenaartig in opzicht tot dat geestlyk huis, waar van hy hier ge« wag maakt. Dit huis was toch de Kerk des Nieuwen Testaments, en daar van was niet alleen de letterlyke Tempel, een fchets en af beeldzei, maar zelf, Petrus erinnert in die betrekkinge, den bekeerden uit den Jooden, nadruklyk, aan de ver* wagtinge, welke de verftandigfte onder hunne natie hadden, dat naamlyk de Mesfias, geenen derden ftoffelyken Tempel, maar een geestelyk huis moest bouwen (q~). Maar nu, dit geestelyk huis, zoude uit kostelyke, uit levende, uit edele fteenen beftaan, en dit kon niet zyn, zoo deszelfs gronden hoekfteen, niet zelve was , eén heerlyke, levende, en edele fteen.

Wat zeg ik, in dien zin, en in die toefpelinge op den Tempel, worden ons , de Christus, als de grond- en hoekfteen, en de op hem gebouwdeKerk, als edele en levende fteenen befchreven. IIc

zal

(q) Men vergelyke hiermede, EISENMENGER 1. e* s th. bl. 847, 848, 849.

K a

Sluiten