Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over SPREUKEN XII. 57

verzadigen kunnen : dan de vrucht des monds kan ook betekenen dat geen , het welk de mond voortbrengt; en dus moet het hier genomen worden, wijl er in het volgend lid aan beantwoordt het geen des menfchen handen -werken ; en dan is het ene zogenoemde wonderfpreuk, dat het geen uit den mond uitgaat met lekkernij verzadigt; daar men anders den lekkeren fmaak ontfangt door het geen , dat ten monde ingaat. De zin zal nu duidelijk zijn. Er worden namelijk woorden en daden met eikanderen vergeleken: ten opzichte van de eerften geeft het eerfte lid te kennen, dat wie goede dingen fpreekt , ook de aangename gevolgen daarvan fmaken zal: ten opzichte van de laatften leert het twede lid, dat ook. goede daden, vooral weldaden, waarvan het Hebr. woord bij uitftek gebezigd .wordt, ene goede beloning genieten zullen. Men vindt ene dergelijke fpreuk Hoofdd, XVIII: 20, waar men insgelijks de aanmerking kan vergelijken.

vs. 16. Zeer karakteriftiek :, aanftonds uittevaren in woede en gramfchap , wanneer men beledigd is, is altijd een trek van dwaasheid en kagheid van geest; maar in tegendeel den aangedanen fmaad te bedekken , en , zonder hevig uktevaren, in Itilte te dragen is het karakter van een kloekzinnig en edeldenkend man.

vs. 17. De zin fchijnt eenvouwig deze : die in zijn* aart oprecht en eerlijk is, zal nimmer de waarheid verheien ; men kan in alle gevallen op hem ftaat maken; maar die eens gelogen heeft, zal geen zwarigheid maken, om fteeds en in alle gevallen te liegen en te bedriegen ; men kan op hem nimmer ftaat maken.. Het eerfte lid luidt eigenlijk: Hij die eerlijkheid ademt enz. het twede.lid, een valsch getuige brengt bedrog vo.srt, D 5 na-

Sluiten