Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vs. i —ii.

9

haald wierden, toen er nog eene groote meenigte leefde, die de waarheid getuigen kon; en toen de Joodfche Raad nog in ftaat moest zyn, om een tegenberigt opteltellen, en aan alle de Synagogen der Joden in de geheele wereld rond te zenden, waar door de onwaarheid van het Euangelij wierd aangetoond, en bewezen; te weten : Dat die Jefus wel te Jerufalem was gekruist en begraven, dog dat de vertelling van zijne Opftanding een fabel was, zoo ais hun was gebleken, of uit het gevonden Lijk; of uit de ontdekkingen van bet bedrog, dat men daar omtrent gepleegd had. Daar de Leden van dien Raad, reeds ten tijde van Pilatus, zoo verftandig zorgden, om voortekomen, dat de laatfte dwaling niet erger wier de, dan de eerfte, is het, indien zij regt van fpreken gehad hadden, niet te begrijpen, hoe zij zoo ftil zaten, toen de Apostelen dat geen, 't welk zij de laatfte dwaling noemden, met zoo veel ophef en vrijmoedigheid, alomme in de Joodfche Synagogen verfpreidden, en deden gelooven. Dog met dit alles is het gefchiedkundig zeker, dat de Raad hier toe zelfs niet de minfte poging heeft aangewend, ook fchoon de getuigen van Jefus Opftanding het den Raad zeiven in 't aangezigt aanzeiden.

§. 8.

Ten anderen verdient het ook nog vooraf opgemerkt te worden, dat P. hier duidelijk verzekert, A 5 dae

Sluiten