Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over RUTH I. vs. i, 2. af

Dat de naam van Juda daarby wordt gevoegd, wyst aan, dat het behoorde tot dien Ham, aan wien reeds door den ftervenden aartsvader Jakob de koninglyke waardigheid was toegezegd; en door dit byvoegzel wordt het onderfcheiden van een ander Bethlehem, 't welk gelegen was in den ftam van Zebulon, gelyk blykt uit Jof. XIX. 15, 16.

Van hier ging de reis van dit vertrekkend huisgezin naar de velden Moabs, om daar als vreemdelingen te verkeeren.

De Moabiten waren nakomelingen van Moab die een zoon was van Loth, 1 Mof. XIX. 37. Dus was dit volk vermaagfchapt met de' Israëliten, vermits hun ftamvader Loth een broeders zoon was van Abraham.

Dat Elimelech derwaards toog, kan geweest zyn ten deele, om dat dit land voor hem 't best gelegen was van wegen deszelfs nabyheid, op de grenzen van de Israëliten, die in 't Overjordaanfche woonden; ten deele, om dat dit land waarfchynlyk ten deezen tyde voorfpoed en vruchtbaarheid genoot, gelyk men afneemen kan doorgaans het voorrecht te zyn geweest van de Moabiten, uit een getuigenis , 't welk men vindt by den Profeet Jeremia (*). Moab is van zyne jeugd aan gerust geweest, en hy heeft op zyne heffe /lil gelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis: daarom is zyn /maak in hem gebleven, en zyn reuk niet veranderd; misfcbien ook dat Moab ten dien tyde aan Israël onderhoorig was, althans daarmede in

vreeei) Jcr. XLVIII. n.

B S

Sluiten