Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

338 Dê Toeftand der Gelovigen

Heere ook altijd u, wanneer Hij u niet verloft, daar in verfterken en vertrooften.

§ 7. Voorts gij denkt dat God uw gebed niet verhoort, maar eij lieve! wanneer de Heere u geeft zulk een verlangen naar zijne genade en troost, en om godzaliger te leeven, en Hem meer lief te hebben, wanneer Hij u daartoe rtu en dan een ijverig gebed geeft, is dat niet eene verhooring? Ja het gewiflêlijk, en wel de allerbeste verhooring. Gij klaagt dat God op uw gebed geen agt flaat, en ondertusfchen werkt Hij kragtig door zijnen geest in u, en geeft u al dagelijks nieuwe genade. —- Ja, gij die zoo klaagt, hoe dikwijls vertroost Hij wel uwe ziele, en moogt gij gevoelen zijne genade in uw hart onder en naa uwe gebeden, en dat uw geloof verfterkt word! is dat dan nog geene verhooring? eij klaagt zoo niet meer, maar dankt God voor zijne verhooring én genade, beveelt het voorts aan zijne wijsheid, zoekt Hem te dienen, en vertrouwt dat Hij het in alles op het beste maken zal. Pf. XXXVII. 5. Wentelt uwen weg pp den Heere, en vertrouwt op Hem, Hij zal V maken.

h,

o' ,

Wanneer men niet wel bidden kan.

§ 8. Somtijds gebeurt het ook wel, dat een kind van God niet wel bidden kan. Dat heeft te met zijn oorfprong uit aanmerking van zijne onbekwaamheid tot, en veelvoudige te kortkoming in het dienen van God: hij heeft wel voor. neemens tot verbeetering, maar hij kan zig weinig

Sluiten