Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 23° )

Maar, de fpijzen worden ook nadeelig, wanneer men dezelven onmatig geniet. 'Er wordt immers alleenlijk van de overmaat van het Ongedierte geiproken.

~Ik ben verzekerd, dat de menigte van Ongedierte; ik fpreek van dat eigenlijk zo genoemd

ongedierte, welk zich cp het lijf ophoudt, en niet van de wormen, die in het lijf hun verblijf hebben —. ik ben verzekerd, zeg ik, dat de menigte van ongedierte alleenlijk lastig, maar niet fchaadelijk is. Het bewijs daar van is , dat de ziekte niet ophoudt, fchoon men al het ongedierte heeft uitgerooid.

Ja, ik durf beweeren, dat het zelve in de ziekte zich alleenlijk vermeerdert, om dat het heilzaam is, en tot eene verzagting der ziekte dient. L,aat ik mij hier omtrend verklaaren.

Wij hebben zekerlijk tegenwoordig, zedert dat de Geneeskunde, in den loop der. eeuwen, tot eenigen trap van volmaaktheid geklommen is, ailerleie middelen voor handen, om onze gezondheid te herHellen, en kunnen daar toe de hulp van het Ongedierte misfen. Dan, de Schepper heeft de bereiking Zijner oogmerken en einden geenszins naar dat tijdperk gericht, waar op onze konften en wetenfchappen zouden ontdekt of volmaakt worden; maar Hij heeft middelen beraamd, om Zijne oogmerken, buiten ons, te bereiken. Wij kunnen thans het ongedierte, als eene artfenij, zeer ligt ontbeeren, en wij doen wel, dat wij, uit zindeüjkheid, ons bevlijtigen, om ons van dit ongemak te bevrijden. Maar in de eerfte tijden zal het nuttig; ja , misfehien, onontbeerlijk geweest zijn, ter wegneming van den gistenden overvloed der vochten. Nog lieden ten

dage,

Sluiten